Vogels en Weetjes


Kievit

De kievit is een van de meest kenmerkende (weide-)vogelsoorten van ons land. Hij is onmiskenbaar met zijn kuif, zijn zwart-witte kleed en zijn unieke, opvallend brede vleugels. Deze spelen in de baltsvlucht een belangrijke rol, waarbij de kievitman spectaculaire buitelingen maakt en de zwart-witte ondervleugels van ver zichtbaar zijn. Aan de 'zang' die hij dan laat horen, heeft de kievit zijn naam te danken. Ook de vleugels maken een opvallend geluid. Onmiskenbaar. Zwart-witte onderzijde, opvallende kuif, brede vleugels. Op rug mooie groene en paarse metaalglans. Vrouwtje minder contrastrijk getekend en gekleurd en een kortere kuif. Heeft ook iets spitsere vleugels dan het mannetje. Buiten broedtijd lijken geslachten sterk op elkaar en heeft de kievit een lichte keel.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Kluut

De kluut is uniek door zijn opvallende zwart-witte verenkleed, lange poten en zijn opgewipte snavel. Hiermee zeeft hij door het slik om bijvoorbeeld wormpjes en garnaaltjes te vinden. Broedt in kolonies, vooral in zoute gebieden aan de kust, maar ook in het binnenland. Als hij kuikens heeft suggereert een kluut dat hij gewond is. Hij laat dan een vleugel hangen om de aandacht van de belager af te leiden. Onmiskenbaar. Wit met opvallende zwarte tekening. Opgewipte snavel, lange lichtblauwe poten. Ook in vlucht onmiskenbaar door de zwartwitte tekening en de lange poten.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Spreeuw

Spreeuwen nestelen in natuurlijke holtes in bomen, in nestkasten maar ook in gebouwen. Ze tasten de bodem van weilanden en grasvelden af op zoek naar insectenlarven, zoals van de langpootmug (emelten). Ze zijn nog talrijk, maar nemen snel af. Na de broedtijd verzamelen spreeuwen zich op grote slaapplaatsen. In het najaar komen er vanuit Noord- en Midden-Europa veel spreeuwen naar onze omgeving. Rond de slaapplaatsen vormen zich dichte wolken van duizenden spreeuwen die prachtig op en neer 'golven' in de lucht. In de wintermaanden een zwart verenkleed met een paarsgroene gloed en opvallende witte spikkels. In broedkleed zijn spreeuwen zwart gekleurd met een gloed van paarse, blauwe en groene kleuren. Jonge spreeuwen hebben tot in september een bruin, onopvallend verenkleed. Leeft in groepen, na het broedseizoen soms zeer grote groepen. Zijn vrij luidruchtig. Spitse snavel die geel is in het broedseizoen, daarbuiten donker grijs/zwart.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Slechtvalk

De slechtvalk is een grote valk; het vrouwtje is forser dan het mannetje. Krachtige jager van open land, slaat vogels na een lange, snelle stootduik (van meer dan 200 kilometer per uur) of na een volhardende achtervolgingsvlucht. Sterk toegenomen nadat de soort bijna was verdwenen door vervolging en gebruik van pesticiden. Heeft sterk geprofiteerd van bescherming en broedt vooral op gebouwen, tot midden in de stad. Grote valk met zware borst, spitse vleugels met vrij brede basis en een tamelijk korte staart. Kan soms erg slank overkomen, maar in schroevende vlucht minder. Volwassen vogels zijn licht van onderen, met contrasterende zwarte kopkap en baardstreep. Bovenzijde blauwgrijs. Jonge vogels zijn bruin van boven en zijn bruin gestreept van onderen. Spitsere vleugels en kortere staart dan havik. Groter en zwaarder gebouwd dan smelleken en boomvalk.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Torenvalk

De torenvalk is vooral bekend door het bidden, dat je vaak langs de weg ziet. Was lange tijd de talrijkste roofvogel, maar dat is nu de buizerd. Toch is het nog steeds een kenmerkende vogel van het open land in Nederland. Een uitgesproken veldmuisjager, die graag in nestkasten broedt in open land. Als er weinig muizen zijn, pakt hij ook wel jonge weidevogels of mussen. Pakt uitsluitend prooien van de grond. Kleine valk met lange staart. Kenmerkende roodbruine rug in alle kleden. Man met grijze kop en grijze staart met zwarte eindband, vrouw met geheel roodbruine bovenzijde, inclusief sterk gebandeerde staart. Ondiepe, rustige vlucht, bidt veel. In silhouet is de lange staart kenmerkend, de vleugelpunten zijn minder spits dan bij andere valken. In zit steekt de staart ver voorbij de vleugelpunten. Korte tenen.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Tureluur

De tureluur dankt zijn naam aan het geluid dat de vogel maakt: "tjululuu"; dat is namelijk makkelijk te vertalen naar 'tureluur'. Hij is altijd te herkennen aan de markante felrode poten en de brede witte achterrand van de vleugels. Er is nauwelijks verschil tussen man en vrouw; het mannetje is echter zwaarder getekend en donkerder. Een niet zo algemene weidevogel, die als niet-broedvogel vooral op het wad te vinden is. Middelgrote steltloper met vrij lange rode poten en een rode basis van de vrij korte snavel. Jonge vogels hebben flets oranjegele poten. Opvallende brede witte achterrand van vleugels onderscheidt hem in vlucht van gelijkende soorten. Meest gebruikte roep is een karakteristiek, vloeiend "tju..." of "tju-lu-lu" Zijn Kenmerkende roep is een mooi, fluitend "tluu…", vaak twee-, driemaal herhaald. Balts bestaat uit variatie op roep, in serie voorgedragen. Alarmroep is veel scheller "tuuk!"

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Grutto

De grutto is een oer-Hollandse weidevogel. Nog wel. Want de natuurwaarden van het agrarisch land staan zwaar onder druk. Waar het boerenbedrijf nog ruimte laat voor natuur, daar gedijt de grutto. Zo is hij de ambassadeur van agrarisch land waar productie en natuur in balans zijn. Nergens in Europa broeden zoveel grutto’s als in Nederland. In 2015 is de grutto uitgekozen door het Nederlandse publiek tot nationale vogel. Grote, slanke steltloper met lange poten. Rechte snavel. In vlucht brede, witte vleugelstreep, witte staartbasis (vierkant) met zwarte eindband. Poten steken uit. Buik met donkere banden. Mannetje ruit in prachtkleed naar een meer steenrode kleur dan vrouwtje. In de winter bruingrijze borst en bovendelen.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Fuut

De fuut is de meest algemeen voorkomende futensoort in ons land. Hij komt als broedvogel voor in allerlei soorten wateren, van stadsparken en grachten tot duinmeren, moerasgebieden, randen van grote wateren en riviernatuur. De grootse aantallen komen voor in Laag-Nederland. Futen paren soms al vroeg in het jaar met spectaculaire baltsrituelen. In zomerkleed goed herkenbaar aan witgemaskerde kop met bruinrode krans, overlopend in zwart, en verlengde, zwarte kopveren. Ogen felrood. Bovenzijde bruin, onderzijde wit. Mannetje en vrouwtje identiek. In winterkleed vaalbruin en wit, met zwarte kopveren; kenmerkend is wit boven de zwarte teugel (tussen oog en snavel). Jongen zijn zwart-wit gestreept.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Lepelaar

Rond 1970 waren er nog maar 170 broedpaar in ons land, nu enkele duizenden. De lepelaar heeft zich spectaculair hersteld. De Nederlandse populatie lepelaars is uniek, in andere landen in Noord-West Europa broeden ze nauwelijks. Lepelaars bevinden zich van februari tot september/oktober in Nederland. Via Franse en Spaanse moerassen trekken ze naar winterkwartieren langs de West-Afrikaanse kust (vooral Banc d'Arguin). Lepelaars broeden in moerassige gebieden, dichte rietkragen of moeilijk bereikbare bomen en struiken, maar ook op kwelders.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Kuifeend

Met hun zwart-witte verenpak en kuif zijn de mannetjes van de kuifeend onmiskenbaar. In tegenstelling tot de wilde eend duiken kuifeenden naar hun voedsel. Het gele oog van deze vogel is opvallend. Op de diepere wateren dobberen de kuifeenden graag rond, maar zeker in de winter zijn ze ook in het stedelijk gebied terug vinden. Kuifeenden eten waterdieren die tussen de waterplanten leven. Ook de planten zelf worden gegeten. Mannetjes zijn opvallend zwart met witte flanken, vrouwtjes overwegend bruin met lichtere flanken. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een kuif, maar deze is bij mannetjes langer. In vlucht is te zien dat kuifeenden een witte baan over de slagpennen hebben lopen.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Koolmees

Een van de meest algemene en bekende broedvogels van Nederland en de grootste mees van ons land. De koolmees heeft een zeer gevarieerde zang. Is goed herkenbaar aan gele lijf en zwarte kop. Komt veel voor in loofbossen, maar is ook in dorpen en steden zeer algemeen voorkomend. Broedt vaak in nestkasten en maakt gretig gebruik van bijvoeren in de winter. In strenge winters kan grote sterfte optreden. Onderzijde geel met zwarte middenstreep, kop glanzend zwart met grote witte wang en mosgroene bovenzijde met witte vleugelstreep en blauwgrijze vleugel. De zwarte middenstreep op de buik en borst is bij mannetjes breder dan bij vrouwtjes. Enige mees met witte buitenste staartpennen, goed te zien in vlucht.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Knobbelzwaan

Knobbelzwanen stammen deels af van om hun dons gekweekte vogels, maar zijn ook inheems. Als deze grote vogels overvliegen, klinkt een luid fluitend geluid van de vleugels. Niet-broedende zwanen zijn veelal op weilanden te zien, waar ze zich tegoed doen aan gras. Beide partners van een broedpaar zijn elkaar meestal een leven lang trouw. Sterft een van beide vogels, dan zoekt de ander soms pas na enkele jaren een nieuwe partner. Broedt van maart-mei. Een nest per jaar met 5-7 eieren. De vrouw broedt die uit in 36 dagen. Langs de oever of soms in het riet zit de knobbelzwaan op een groot nest van takken, riet en plantaardig materiaal dat door de man fel wordt verdedigd met de kop naar achter, opgezette vleugels en een sissend geluid. Ze broeden vanaf het derde of vierde jaar.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Kleine Plevier

De kleine plevier is een pioniersoort. Hij vestigt zich rap op plekken die tijdelijk geschikt zijn om te broeden, zoals afgravingen, bouwplaatsen, opspuitingen, grindgaten. Wordt nog weleens een verward met bontbekplevier, maar deze heeft een oranje snavelbasis, oranje poten en géén gele oogring. Bovendien is de bontbekplevier veel meer aan de kust te vinden dan de kleine plevier, die in zoetwatermilieus voorkomt. Slanke, kleine plevierensoort. Opvallend zwart-wit getekend op kop en borst. Nagenoeg geheel zwarte snavel. Lichtroze poten. Duidelijk gele oogring. In vlucht geen vleugelstrepen. Roept aflopend "tié-joe...".

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Kleine Karekiet

De kleine karekiet is een echte moerasbewoner. De markante, krassende, staccato zang (met altijd een "krr-krr-kiet-kiet-kiet"-achtige strofe) is te horen in de meeste rietstroken. De voorkeur van deze onopvallende bruine vogel gaat uit naar rietlanden, die met de stengels in ondiep water staan. In goede broedgebieden, zoals de laagveenmoerassen in Nederland, kunnen kleine karekieten in kolonies broeden. De karekiet is te herkennen aan zijn egaal gelig bruin van boven, vuilwit van onderen verendek, verder eigenlijk geen expliciete kenmerken. Een relatief lange snavel is een hulp om hem te onderscheiden van de zeer gelijkende bosrietzanger. Geen verschil tussen mannetje en vrouwtje.

Fotos:Egon Jansen Fotografie


IJsvogel

Een blauwe flits en een fluitende roep: zo kondigt een ijsvogel zich vaak aan. IJsvogels zijn vooral vogels van beken en rivieren met zoet, stromend water, maar broeden ook aan stilstaand water (vooral in Nederland). Hun nesttunnel graven ze zandige of lemige steile oeverranden. 's Winters ook te zien bij meer open en brak of zout water, op zoek naar voldoende voedsel - kleine visjes, waterinsecten en dergelijke - en ijsvrij, helder water om dat voedsel te kunnen bemachtigen. Strenge winters maken veel slachtoffers onder de ijsvogels. Onmiskenbaar blauw en oranje gekleurd. Beetje plomp gebouwd met korte staart en een grote kop en snavel. Witte keel en zijhals. Vleugels en kruin groenachtig blauw met een helderblauwe rug en stuit. Zit vaak rechtop op een laaghangende tak boven het water te loeren naar visjes. Vliegt luid roepend over het water en is dan goed te zien. Vrouwtjes hebben een oranjerode snavelbasis, bij de man is die zwart.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Heggemus

De heggenmus is een van de meest voorkomende broedvogels van ons land, maar toch bij velen onbekend. Dit komt door zijn verborgen bestaan in en onder struiken en heggen. Heggenmussen vliegen niet vaak en scharrelen vooral over de grond om voedsel te zoeken. De heggenmus heeft een onopvallend bruingrijs verenkleed. De tekening van de rug lijkt veel op die van een huismus, waarbij de heggenmus vooral te herkennen is aan de blauwgrijze kop en borst en de spitse snavel. Is vaak op de grond te vinden, waar heggenmussen als een muis op zoek zijn naar voedsel. In het voorjaar zingt het mannetje al vroeg vanaf de top van een struik of boom.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Grasmus

De grasmus is geen opvallende vogel, maar de zang en de zangvlucht wel. Grasmussen zijn pioniervogels van de allereerste bosstadia, met opslag van struweel, in allerlei landschappen. Soms ook in pure ruigte met alleen hoge kruiden te vinden. Ondanks zijn naam is de grasmus niet nauw verwant aan de huismus. De 'familie' van de grasmussen is vooral een in het zuiden van Europa en in Afrika voorkomende groep vogels. Hiervan heeft de grasmus veruit het grootste verspreidingsgebied.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Goudvink

De goudvink leeft anders dan andere vinken niet in grote groepen maar in paren of kleine groepjes. Het mannetje is opvallend roodroze-zwart getekend, maar je vindt hem vooral door zijn zachte fluitende roepje. Goudvinken zijn vogels van bossen, parken en tuinen die zich graag ophouden in de dekking. Ze blijven vaak minutenlang stil zitten. De goudvink is een wat plompe vink met brede nek. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft een zwarte kap. Het mannetje heeft opvallende helder roodroze buik en wangen. Het vrouwtje is onopvallender beigegrijs gekleurd. Beide hebben een donkere staart, een witte stuit en vleugels met opvallende witte vleugelstreep. Heeft een korte, zware, dikke, zwarte snavel. Juveniel als vrouwtje maar met grijsbruine kop, zonder de zwarte kopkap.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Glanskopje

De glanskop is een onopvallende bezoeker van bosrijke tuinen: het ontbreekt de soort aan de felheid van verwante mezensoorten. De verspreiding van de glanskop volgt vrijwel precies de verspreiding van de beuk, die in de herfst grote hoeveelheden zaden produceert. Deze zijn van levensbelang voor de glanskop, die er vrijwel de hele winter van leeft. In het voorjaar zijn het vooral eikenbomen waarin het voedsel gezocht wordt. De glanskop heeft een vaalbruin kleed met een donkere kap en lichtere onderdelen. Verschilt van matkop door het ontbreken van de lichte baan op de armpennen, glanzend zwarte kopkap en een iets minder uitgebreide kinvlek. Als je goed kijkt zit er een witte vlek op de basis van de snavel, die bij matkop ontbreekt.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Geoorde Fuut

De Geoorde Fuut treffen we in de periode maart-april tot begin augustus aan in zijn broedgebied. Het broedgebied bestaat met name uit ondiepe meren, plassen en vennen met oevervegetaties. De aantallen broedparen schommelen in goede jaren rond de 500. Geoorde Futen zijn met name te vinden in de kerngebieden van de Drentse en Noord-Brabantse vennen. De geoorde fuut broedt vaak in gezelschap van kokmeeuwen. Geoorde Futen zijn kleiner dan de gewone fuut. Ze hebben een prachtkleed op de kop, hals en de bovenzijde is zwart. achter hun rode oog hebben ze prachtige goudgele pluimen. De kruinveren iets verlengd. Flanken kastanjebruin, onderkant wit. Winterkleed bovenste helft kop zwart tot onder het oog (kuifduiker tot aan het oog). Onderste helft kop wit. Voorkant hals grijs met wit, achterkant grijsbruin. Bovenzijde zwartbruin, onderzijde wit. Opgewipt snaveltje.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


Vuurgoudhaan(tje)

Het vuurgoudhaantje wordt 9 tot 10 cm groot en is iets groter dan het nauw verwante goudhaantje dat de kleinste Europese vogelsoort is. De vuurgoudhaan lijkt sterk op de goudhaan. Opmerkelijke verschillen zijn de witte oogstreep en een ander geluid. Het verenkleed heeft een grijsgroene bovenzijde, een lichtgrijze onderzijde en een zwarte en witte oogstreep. Het vrouwtje heeft een gele kruin, het mannetje een oranje kruin (die echter alleen goed zichtbaar is als de vogel zijn kruinveren opzet), waaromheen zich een zwarte band bevind

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Groene Specht

De Groene specht is een vrij grote vogel, welke in zijn vlucht is te herkennen aan zijn groene rug en zijn golvende vlucht. De kop van de mannelijke  groene specht is opvallend te noemen met een rode bovenzijde en een een rode vlek onder zijn ogen, het vrouwtje heeft een zwarte vlek onder de ogen. De snavel is grijs, dit noemen ze een dolksnavel. Juveniele groene spechten zijn zwaar gevlekt over het gehele lichaam. De kenmerkende lachende roep van de groene specht valt vaak het eerst op. Hij broedt meestal in een zelfgehakt hol in een oude loofboom. Zijn voedsel bestaat vooral uit grote mieren (vooral rode bosmieren) en wordt meestal op de grond verzameld. In tegenstelling tot de Bonte spechten roffelt deze soort niet maar als hij dat wel doet dan is dit geluid zeer zwak waar te nemen.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Boomklever

De rug, vleugels, staart en kop zijn opvallend blauw/grijs gekleurd. De borst en de buik zijn oranje/roestbruin van kleur. Tijdens de broedperiode is het mannetje extra opvallend gekleurd. Korte poten met relatief lange tenen, met lange nagels voor goede grip op de boomschors. Spitse, dunne snavel. Boomklevers staan er om bekend dat de ze verticaal een boom op en neer kunnen lopen, vandaar de naam Klever, het is alsof hij aan de boom kleeft De Boomklever is holenbroeder, ze verkleinen de ingang van hun broedhol door deze deels dicht te 'metselen met modder. 

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Boomkruiper

De Boomkruiper,  wittig van onderen een op de bovenzijde gevelkt met zwart/beige vlekken. Met hun spitse en gebogen snavel worden insecten uit spleten in boombast gehaald. In tegelstelling tot de Boomklever klimmen Boomkruipers spiraalsgewijs langs een boomstam omhoog, waarbij het schors van de boom wordt afgezocht naar insecten. Als het erg koud is kruipen boomkruipers dicht bij elkaar, zo kan het zijn dat je uit een bal van veren kunnen soms tien of meer staartjes ziet uitsteken.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Kneu 

De Kneu behoort tot de vinkensoort en is kleiner dan huismus. Het mannetje heeft een warm bruine rug en een rode borst en 'baret' op zijn kopje. Na het broedseizoen is dat meer roodbruin. Vrouwtjes en juveniele vogels hebben een zwak gestreepte borst en kruin en hebben geen rood in het verenkleed. De snavel is grijs en heeft een zogenoemde kegelvorm. De kneu is een echte zaadeter en gedijt het best op plaatsen met veel kruiden en grassen. De kneu broedt in dichte struiken in allerlei halfopen landschappen. Kneuen kom je met name in grote aantallen tegen in de duinen en in akkerbouwgebieden met hagen, maar ze broeden ook op plekken met jonge aanplant.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Appelvink

De Appelvink heeft een krachtig aanzien met een grotere snavel dan de gemiddelde vogel uit de vinken familie. Je kan wel stellen dat het de krachtpatser is onder de vinkensoort. Met zijn zeer sterke snavel is gebleken uit onderzoek dat hij hiermee een drukkracht van 50 kilogram kan uitoefenen. Een kersenpit is daarmee moeiteloos gekraakt. Dit vinkensoort is erg schuw en waakzaam, hij brengt dan ook het grootste deel van zijn tijd door in grote en hoge bomen door. Zijn verborgen gedrag en onopvallende geluid maken de appelvink al met al vrij moeilijk waarneembaar. Een volwassen Appelvink is 16-18 centimeter groot.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Pestvogel

Een jaarlijkse bijzondere gast In Nederland is de Pestvogel. De pestvogel verblijft voornamelijk in Noord-Rusland en in bosrijke gebieden van Scandinavië. Als daar in de koude winterperiode te weinig bessen voorhanden zijn dan komt de pestvogel naar Nederland. Een invasie van grote aantallen is zeldzaam in Nederland, dit maakt het altijd een feest voor vogelliefhebbers in Nederland als deze hier weer wordt waargenomen. Ze zijn ongeveer zo groot als een spreeuw hebben een rossig beigebruin verenkleed en hebben een opvallende kuif. De brede staartpunt en de toppen van de handpennen zijn helder geel van kleur. Ze hebben een zwart oogmasker en een zwarte bef.  Het mannetje heeft bredere gele staartband en meer felrode wasachtige aanhangsels aan het eind van de armpennen. Besdragende struiken van uiteenlopende soorten hebben een grote aantrekkingskracht op pestvogels.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Baardman

Een van de mooiste rietvogels welke in de Nederlandse natuur is te vinden. Het mannetje dankt zijn naam aan de "bakkebaarden" onder zijn oogjes. Juveniele Baardmannetjes lijken op het vrouwtje. Baardmannetjes hebben oranjebruine kleur. Het vrouwtje verschilt van het mannetje door het ontbreken van de grijze kop en de kenmerkende baardstrepen. Ze hebben een lange staart, een dunne, spitse snavel en korte poten. De lichaamslengte bedraagt 12 tot 15 centimeter. In de zomer bestaat het voedsel van baardmannetjes voornamelijk uit insecten zoals libellen, muggen, spinnen etc. In de winter bestaat het voedsel voornamelijk uit zaad van riet en rietgras. In de jaren zestig en zeventig kende Nederland ongeveer een populatie van 7000.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Blauwborst

De Blauwborst dankt zijn naam uiteraard aan zijn prachtige blauwe kleur maar ook zeker door zijn uitbundige zang, het is met recht een opvallende  verschijning in de Nederlandse vogelwereld. Doordat er veel geschikt leefgebied in de Nederlandse natuur is bijgekomen heeft de Blauwborst een flinke opmars gemaakt in de afgelopen decennia, tot voor kort stonde deze soort nog op de rode lijst, maar is daar vanaf gehaald omdat het zo goed gaat. Bij het vrouwtje ontbreekt de blauwe borst, maar net als het mannetje heeft zij een lichte wenkbrauwstreep en een dezelfde oranjebruine staartbasis met zwarte eindband. Blauwborsten zoeken tussen de vegetatie naar voedsel. In Nederland worden ook wel blauwborsten gezien met oranje 'ster' op de blauwe borst, een zeldzame doortrekker uit vooral Scandinavië.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Blauwe Reiger

Voor iedereen wel een zeer bekende soort de Blauwe Reiger, deze is niet moeilijk te herkennen toch? Toch is de naam 'blauwe' is misschien wat teleurstellend, de vogel is voornamelijk grijs. Een blauwe reiger - zeker jonge vogels kunnen er heel lelijk uitzien. Maar een volwassen vogel, aan het begin van het broedseizoen, is prachtig om te zien. Een paar lange, sierlijk afhangende veren vanaf de zwarte kopstreep. Geeloranje dolksnavel, afhangende sierveren over keel en op de rug. Het voedsel van de Blauwe reigers eten is gevarieerd te noemen, alles wat er in ondiep water (zoet, brak en zelfs zout) aanwezig is eet de Blauwe Reiger. Van kleine en grotere vissoorten, rivierkreeft (tegenwoordig zijn dat allemaal exotische soorten), tot aan salamanders en kikkers. Ook mollen en muizen als deze te pakken zijn staan op het menu van deze vogel. 

Foto 1-2 Egon Jansen Fotografie / Foto 3 Stock foto's


De Grote Bonte Specht (GBS)

We hebben drie verschillende soorten Bonte Spechten in Nederland (Grote, Middelste en Kleine), de meeste algemene specht is de Grote Bonte Specht zoals hieronder afgebeeld. Zowel mannetje als vrouwtje roffelt er altijd behoorlijk op los met een snelle roffel op de takken of stam. Dit roffelen is om hun territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hun nestholte uit met een rond gat in een stam dit doen ze bij voorkeur in zachte houtsoorten zoals berken. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd. Deze zwart-witte vogel heeft een rode 'broek'. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd. Deze ontbreekt bij het vrouwtje. Ze eten in het voorjaar en de zomer insecten. In de wintermaanden dwalen ze rond op zoek naar voedsel en komen steeds vaker terecht op voedertafels in tuinen. In naaldbossen eten ze 's winters de zaden van sparren- en dennenkegels.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Middelste Bonte Specht (MiBo)

De Middelste Bonte Specht is in opmars in Nederland. De waarneming van deze soort is nog steeds een zeldzame in vergelijking tot de grote en kleine bonte specht. Deze soort is met name gehuisvest in Oost- en Zuid-Nederland. De middelste bonte specht houdt van oud eikenbos. de Middelste Bonte Specht lijkt op de Grote Bonte Specht maar is net iets kleiner. Hij heeft een wit gezicht met in wit geïsoleerd oog. Rode pet in alle kleden, niet afgezet aan onderzijde met zwart. Zalmroze 'broek', flank streepjes. Zwart-witte vleugels met grote witte schoudervlek. Wat verwarrend kan werken met nog niet volwassen grote bonte spechten.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Boomleeuwerik

De Boomleeuwerik heeft een zeer korte staart en is met name te vinden in gebieden met zandgronden, heide of stuifzand , Meestal laten ze zich eerst horen voordat hij zich laat zien. Tijdens de zang vliegt hij in golvende vlucht in grote kringen boven zijn territorium. Aan het einde van de zang laat hij zich in een spiraalvlucht naar beneden glijden. De Boomleeuwerik is te herkennen aan zijn korte kuif (foto 3), opvallende lichte wenkbrauwstreep en roestrode wang. Er is geen verschil in uiterlijk waar te nemen tussen het mannetje en vrouwtje. Deze soort zingt vanaf half februari tot in de herfst, in zangvlucht maar ook van zitpost. Er wordt gebroed in de periode maart tot en met juli, soms tot in augustus op schrale zand- en heidegronden. Nest wordt op de grond gebouwd, waarin twee legsels van 3-5 eieren worden gelegd. Nadat het vrouwtje 12-15 dagen op de eieren heeft gebroed, komen ze uit en verlaten de jongen al na 10-12 dagen het nest.

 

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Buizerd

De meest algemene en meest opvallende roofvogel in Nederland is de Buizerd. De Buizerd tref je vaak aan in het open land, zittend op een paal of schroevend in de lucht op de thermiek. Buizerds zijn qua kleur en tekening erg gevarieerd, dit gaat van donkerbruin tot bijna helemaal wit. Hij heeft zich de laatste jaren sterk uitgebreid als broedvogel en broedt ook in de lage delen van Nederland. De Buizerd heeft zich ook op de Waddeneilanden gevestigd. Lichte buizerds worden vaak aangezien voor de veel zeldzamere ruigpootbuizerd (deze hoop ik nog een keer te kunnen fotograferen). De Buizerd is een opportunistisch in voedselkeuze. Vooral kleine zoogdieren, zoals woelmuizen (in Nederland veel veldmuis, rosse woelmuis) en jonge konijnen. Ook regenwormen, kevers, amfibieën, jonge vogels en aas. Over het algemeen geen snelle jager, maar kan soms vogels en volwassen konijnen pakken. Jaagt vooral vanaf zitplaats laag boven de grond. Bidt ook, vooral in de zomer in open gebieden.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De Dodaars

Dodaars behoren tot de fuut soorten. Deze kleine en enigszins gedrongen fuut met een kort snaveltje, de korte, lichte achterzijde is vaak opgezet en doet dan donsachtig aan. In zomerkleed overwegend donkerbruin met roodbruine wang en hals en opvallend witgele vlek aan snavelbasis. In winterkleed bovenzijde donkerbruin, wangen, zijflanken, hals en onderzijde lichtbruin/beige, witte halsvlek. Duikt regelmatig onderwater. Doodaars eten voornamelijk insecten en larven, schelp- en schaaldieren, larven van amfibieën en kleine vis van 5-7 cm. Hij kan voor zijn voedsel tot ongeveer 2 meter diep duiken maar haalt ook voedsel van het wateroppervlak zelf.

Foto 1: Egon Jansen Fotografie - Foto 2-3: Stock Fotos


De Fitis

De Fitis een vogels die veel weg heeft van de Tjiftjaf en dan ook moeilijk is te onderscheiden. Deze soort behoort tot een groep kleine bruingroene zangvogels die in uiterlijk sterk op elkaar lijken. De zang van de fitis is onmiskenbaar: een zacht, melancholiek fluitend, aflopend riedeltje. De fitis broedt op de grond en zoekt zijn voedsel in struwelen. Om de Fitis te onderscheiden van de Tjiftjaf is door te onthouden dat Fitis een lichte wenkbrauwstreep en een geelwitte keel en borst heeft, maar ook heeft hij bruinroze poten, in tegenstelling tot de tjiftjaf die donkere pootjes heeft. De fitis heeft ook langere vleugels dan de tjiftjaf.

Fotos: Egon Jansen Fotografie


De "Vlaamse" Gaai

De wetenschappelijke naam van de gaai is Garrulus glandarius, vrij vertaald is dit 'voortdurend krassende eikelzoeker'. Dat typeert de gaai alleen in de winter, want tijdens het broedseizoen is hij juist opvallend stil. Van oorsprong vrij schuwe bosvogel, maar inmiddels ook volop in het stedelijk gebied te vinden. De Gaai heeft een beigebruine uitstraling, met een licht gestreepte kruin, een lichtblauw vleugelveld. Gaaien eten vooral insecten, aangevuld met eieren en jongen van zangvogels. 's Winters eten gaaien vooral eikels, maar ook beukennootjes, granen (mais), fruit en ander eetbaars. Zelf heb ik meegemaakt dat ze walnoten van de Eekhoorn afpakte.

Fotos: Egon Jansen Fotografie